schappelijke distinctiemiddel, waaraan dan tegelijk het gansche maatschappelijke recht- en straf-systeem kan worden gehecht.
Zoolang en voor zooverre der Eenheid ,,zelfvergetelheid" duurt, wordt door de leden en de steunpilaren eener collectiviteit het redelooze harer dogma's niet opgemerkt. Immers redelijkheidsverlangen is alreeds Eenheidsverlangen — van de Eenheid uit: zelfherkenning met de tendentie van zelfopheffing. Ontwaakt de Eenheid uit die zelfverstarring tot vernieuwde zelfaanschouwing, zelfherkenning, dan zal zich dat in de individuen voordoen als een vernieuwd verlangen naar, dat is: vermogen tot, redelijke onderscheidingen, dan pas worden de dogma's herkend als ,,redeloos" en ze worden niet meer geaccepteerd. Wat vorigen geslachten ,,heilig" en ,,eerwaardig" voorkwam, omdat hun (onbewust) criterium was het maatschappelijk nuttigheidscriterium, zal zulk een nieuw geslacht plotseling absurd schijnen, omdat hun criterium het redelijkheidscriterium is. Daar ze dus de twee tegengestelde tendenties van de Eenheid reproduceeren, ook al gebruiken ze — als ter onderlinge verwarring! — dezelfde woorden, zullen ze elkander nooit verstaan. Dit is de diepe redelijkheid van de fabel der Babylonische spraakverwarring. Het nuttigheidsinstinct bekommert zich niet om het redelijke, het redelijkheidsinstinct niet om het nuttige. Doch de individuen, die nimmer zijn de simpele reproducties van één enkele Eenheids-tendentie, doch de gecompliceerde reproductie van alle tendenties, waarin één domineert, zullen zich daarvan nimmer ten volle rekenschap geven, gelijk we door voorbeelden hopen aan te toonen.
Het proces der zelfopheffing van de Eenheid voltrekt zich, naar we zagen, in het opheffen van de voorafgestelde onderscheidingen, redelijke onderscheidingen en zedelijke onderscheidingen op redelijken grondslag. Deze alleen laten zich ,,opheffen' . In de collectiviteit zijn ze echter niet voorhanden: de collectieve dogma's behooren niet tot de levende onderscheidingen, die door de redelijkheid gesteld en daarna weer opgeheven kunnen worden; ten opzichte daarvan verhouden ze zich als mummies tot levenden. Aan het voorhanden maatschappelijk dogmatisme kan de Eenheid zich derhalve niet opheffen, omdat ze niet zichzelve er in onderscheiden, er in herkennen kan. Hieruit volgt, dat die onderscheidingen vooraf
89