keken op straat, soms het rose-blanke kindergelaat van den blonden Hans uit haar jonge jeugd.
En in de lange uren van haar slapelooze nachten verbeeldde ze zich werkelijk het bezit van zoo een jongen ros-blank of mat-bleek of goudachtig-bruin met blinkende oogen, die voor haar zijn zou, wat Van Gulik nu was — een verlangen, dat iedermaal door haar heen sloeg als een vlam, inwendig haar zengend en verschroeiend. Ze had nooit eenige begeerte naar teederheid, ze dacht zich geen lieve woordjes, die de gedroomde jongen haar zeggen zou, nimmer verbeeldde ze zich een zoet en vredig samengaan, omdat ze daar niet eens van wist, en nooit er naar verlangd had.
In haar jongere jaren had ze naar rijke welge-kleede jongens gekeken, verlangend met hen te mogen spelen en praten. De blonde Hans had haar toen het allerbegeerlijkste geleken. Later met zoo een jongen trouwen leek haar het gelukkigst lot, maar dat bepeinzend, had ze alleen aan den maatschappe-lijken kant van het huwelijk gedacht.
Jongens uit haar eigen kring, broertjes van de buurtkinders, joggies van het Jodenschool, die had ze altijd geminacht, nauwelijks toegesproken, of een blik waardig gevonden. Vaag had ze later Lizzie Naumann benijd, om haar verloofd zijn met den neef, den vluggen en vroolijken student, doch toen had haar het eigen geluk — nog niet bereikt, maar voor het grijpen — zoo overweldigend groot geschenen, dat ze niet verder, niet meer begeeren durfde. Rijkdom, vrijheid, weg uit de gehate Joden-omgeving, 't was een ongekend, een ongehoopt geluk, dat haar ten deel ging vallen, een onverdiend geluk óók. Zoo meende ze het toen, zóó prentte Elsa Naumann het haar in. Vaag wist ze, dat ze er aardig uitzag — géén Jodentype, had eenmaal de burgemeester gezegd — maar er waren zooveel mooiere meisjes, zoo-
211