'Als de doodsengel in Egypte,' luguber-schertste de Jood terug, maar de vader, bevreemd, herhaalde Brams vraag: 'hoe 't mogelijk was?'
'Hoe 't mogelijk is? De huizen heb 'k langs gekeken of 'k de mezoezo zag op de deuren. Een Jood, dacht ik, heeft 'n mezoezo. Een Jood zonder mezoezo is geen Jood, moet van mij óók niet hebben...'
Daar glimlachten ze allemaal van op en stil voor zich heen, vroom zei de moeder, dat 't dan toch maar goed was, die mezoezo, al werd erom gelachen, dat 't hier toch een mens-in-nood had geholpen...
De kinderen, onbewust, wendden de ogen naar de binnendeur, waar ze 't blikken geboden-huisje tegen de post gespijkerd zagen en de Jood, met weke ontroeringsstem, zei zacht op moeders opmerking:
'Omein...'
Saar, met haar nerveuze mondje en fantastische ogen kwam, in haar mooiste school-Hollands...:
'Maar, meneèr, vertelt u nu eens wat van Rusland...'
Glimlachend keek de Jood in 't opgewonden-frisse gezichtje met de wijd-open, vochtige ogen. Hij verstond niet wat ze zei, hoorde alleen de klank van de woorden. Maar onder 't haar-aankijken vertroebelde z'n blik, vertrok z'n gezicht in vreemd-nerveuze sidderingen en strak hield hij de ogen op 't kind, dat onrustig begon te worden. Z'n mond moeilijk prevelde: '... m'n kindje, mijn meisje...'
Zweet parelde op z'n voorhoofd en in de drukkende stilte aanhoudend mompelden de lippen. Als in benauwdheid bewogen zich de vingers met rillerige bewegingen door de lange baard en Saartje, opgewonden al, liep naar haar moeder, uitbarstend in zenuwachtig gesnik.
Vreemd-opziend, plotseling bedaarde de Jood. Z'n gezicht rustigde en verontschuldigend zei hij tegen vader:
"n Mooie Jomtof-avond, die ik u daar bezorg. Dat 's mijn bezoeking. Nergens kan ik komen, waar kinderen zijn of ik verbeeld me, dat ze 't gezicht hebben van mijn dochtertje.'
'Had-u een dochtertje?'
'Ja,' diep-langzaam knikte de Jood, 'dat had ik. 'k 146