dat haar appelblozend snoetje verfeestelijkte. Coquet streek ze zelf met de dunne, nerveuze handjes rap bewegend, door het dikke in lamplicht als bruin-gouden haar. Vader wreef zich, luidruchtig-feestelijk, de handen. Z'n vertobd en verweerd, maar nog fijn rabbijnengezicht met de krulbaard had een blijde plooi en helder-van-zekerheid klonk z'n stem, toen hij, de kinderen een voor een de handen opleggend, de gebruikelijke zegening zei:
'De Eeuwige zegene en behoede U...'
Toen gingen ze aan tafel en kalm-feestend zaten ze, smullend het feestmaal, dicht gedrongen bij elkaar, te midden van bitse vijanden, de dorpsbevolking, die te soezen of te slapen nu al lag in de suffende huizen, weggedoezeld in mistdamp. Geen voetstap die verklonk, geen geluid van buiten was er dan héél uit de verte 't gedempt geblaf van een hofhond ergens.
Prettige eetgeluiden vulden het kamertje met z'n bruin behang en saai-gemoedelijk tik-takte de klok boven de gesloten bedsteedeuren.
Toen opeens, fel door de stilte en gans-onverwacht, luid schelde het winkelbelletje, lang aanhoudend. Gestommel van zware, vermoeide of onzekere voeten was er in de donkere winkel.
En in 't lichte kamertje wendden ze allen het hoofd naar de deur, star-angstig, of daar achter iets gruwelijks spookte. Maar de vader stond op en hard klinkend z'n stem door de spannings-stilte, zei hij tegen Joop, die ook opgestaan was:
'Blijf zitten, Joop, 'k zal zélf kijken...' Hij deed de winkeldeur open, zodat er breed in de donkerte het lamplicht viel met vreemde effecten op toonbank en aan de zolder hangende mansbroeken, waarvan de pijpen steun-loos schenen te zweven. Voor de toonbank stond een vreemd-uitziende man, die gretig z'n gezicht het licht toegewend hield.
De vader, na even wantrouwig toeven op de drempel, deed snel een paar stappen vooruit en zonder uiterlijk blijk van verrassing, stak hij de hand uit en zei eenvoudig:
'Sjoloum Aleigem.'
En de vreemdeling antwoordde:
143