stilte, want voor vader was hij bang. Zelf vocht hij maar wat vaak, kwam vader er achter, dan kreeg hij klappen, zo groot als hij was.
Binnen hoorde ze nu 't drie passen achteruitlopen van vader en de jongens na 't gebed en ze zag 't vóór zich, hoe ze de voorgeschreven buiging-naar-'t-Oosten maakten en hun gebedboek sloten. Toen, zoetjes en schuw sloop ze binnen en dadelijk was ze bij moeder, die voor 't zijraam zat en naar buiten staarde. Breiwerk rustte in haar schoot, ze had 't neergelegd, bij 't bidden van de mannen, in eerbied.
En haar donkere, mooi gevormde, maar ontglansde ogen snel schichtigden naar de vader, die, de boeken op 't rek zettend, daarbij hier en daar een los blaadje verschikkend, Saar niet had zien binnenkomen. Van het laatkomen en 't bemorste jurkje begreep ze dadelijk en tobbend, hoe dat nu weer goed te praten tegen vader, die lelijk uitvallen kon de laatste tijd, schoof ze, bezorgd hoofdschuddend, stilletjes het kind naast zich, aan de raamkant.
Daar stond ze wèl nauw, maar heerlijk veilig, en zó voelend, lei ze, poezig vleiend, haar jong-fris kopje tegen magere moeder aan.
Zo lief stond ze daar, 't goudige haar diep schaduwend over de ronde wangetjes, dat vader, haar opeens in 't oog krijgende, niet boos was en alleen grapjes maakte over haar listig binnensluipen. Hij zette haar op z'n knie en, 't bemorst jurkje ziende, gaf hij haar grappend wat zachte tikken.
Maar Bram, met z'n hoge jongensstem, reclameerde de avondboterham, vertellend luidruchtig, hoe hij rammelde van de honger. In de schemering van 't achterwinkels kamertje schikten ze voor 't brood-eten nu allemaal om de tafel, nauwtjes gedrongen de vijf kinderen, van welke Saar op één na de jongste en Joop met z'n zacht-sympathiek jongensgezicht de oudste. Kibbelend en duwend om een plaatsje, vulden de kleintjes 't schemerka-mertje met hun rumoer, dat de moeder, door een paar sussende woorden, bedaren weer deed.
Maar wilde Bram, jongen van veertien, loerde grappig-brutaal met clown-gebaar in de broodbak en vroeg, half
137