altijd het begin van een invloed die op den duur tot een maatschappelijke macht wordt.
Dit wil niet zeggen dat Ter Braak een dergelijke macht zocht. Integendeel hij wilde zo snel mogelijk, het maatschappelijke, het politieke, de rug kunnen toekeren, om zich weer te kunnen bezighouden met het culturele in engere zin. Juist daarom wilde hij de vernietiging van de totalitaire machten, omdat eerst dan weer een culturele strijd mogelijk zou worden, zonder dat de knuppels en de laarzen als voornaamste argumenten gingen optreden.
Dat in deze beschouwing de nadruk is gelegd op de maatschappe-lijk-sociale betekenis van Ter Braak, is een eenzijdigheid die te kort doet aan zijn figuur, maar een eenzijdigheid die men zal begrijpen, als men bedenkt dat hij in de strijd tegen het fascisme is gevallen. En dat zijn opvatting van de menselijke waardigheid hem tot die strijd drong, dat hij steeds nog meer in die richting wilde doen, dat blijkt niet alleen uit zijn werk, maar dat weten ook allen die hem in de laatste tijden van nabij gekend hebben, en die kunnen getuigen hoe zij allen, Ter Braak, Du Perron, en ook Marsman, onophoudelijk vroegen: hoe kunnen we onze strijd tegen het fascisme nog intensiever voeren?
Met dit al wordt in een beschouwing als deze te kort gedaan aan een figuur als Ter Braak. Anderen zijn misschien beter in staat die figuur thans reeds geheel te overzien en hem zijn plaats te geven in het Nederlandse en Westerse geestesleven van de laatste jaren — mij is het onder deze omstandigheden onmogelijk. De afschuwelijkheid van een tijd, die mensen van zijn type op deze wijze kapot maakt, belet iedere bespreking van wat aan zijn werk en aan zijn persoonlijkheid die bijzondere charme gaf.
Dat hij een zeer bijzondere figuur in ons geestesleven was, dat blijkt wel uit het feit dat er bij zijn leven, en z’n betrekkelijke jeugd, al een hele litteratuur over hem bestond, dat zijn naam voortdurend in krant en tijdschrift genoemd werd, dat hij onophoudelijk in polemieken gewikkeld was, en dat men bij iedere gelegenheid op zijn woord wachtte, al was het vaak alleen maar om het te bestrijden. Maar ook in die geschriften over hem, waarvan dat van Marsman verreweg het belangrijkste is, kwam zijn gehele figuur niet tot zijn recht. Marsman had te weinig gemeen met wat in Ter Braak aan spot en scherts en speelsheid was, om hem niet te zeer van de kant der problemen en der tragiek te zien. Natuurlijk, de probleemstelling van Marsman, nadert veel meer de werkelijkheid, dan het geschrijf van degenen die in Ter Braak alleen maar een grappenmaker en een plaaggeest zagen. Dat was een opper-
294