De poorters drongen samen voor het raadhuis. Ze keken verbeten en bloeddorstig op naar de twee vensters van de gerechtskamer. Eisten het leven van de jonge heks.
Een man klom omhoog langs de slanke, stenen middenpilaar. Greep de ijzeren dwarsstang onder de Romaanse boog, zwaaide zich erop, lenig als een acrobaat. Klom verder, stond op de gebeeldhouwde kop van hertogin Maria, die met dode ogen vroom en uitgestreken naar haar overmeesterde onderdanen staarde.
De man bereikte het brede kozijn, keek grijnzend omlaag, trok zijn hartsvanger. Vrouwen krijsten aanmoedigend.
Een steen suisde omhoog, verbrijzelde het glas in lood. Het oproer was binnengedrongen bij Mijne Heren van de Gerechte.
Witte Wittesoen, de schout, keek in het smoel dat de hartsvanger tussen de tanden geklemd hield. Hij sloot de ogen, zijn mond werd een streep. Langzaam wreef hij over voorhoofd, wangen en kin. Een hand graaide naar de ijzeren grendel. Het venster vierde open, een heen zwaaide over de vensterbank, tastte naar steun op de vloer, tussen de glasscherven.
Witte Wittesoen rees op. Twee lenige passen, zijn zware lichaam stond bij het venster. Hij greep de keel, duwde het smoel achterover. Het mes viel kletterend op de keien beneden. Een geloei van afgrijzen steeg omhoog, als een gierende windstoot vulde het één ogenblik de kamer. De ogen in het smoel staarden ontzet naar de opgeheven koppen en zagen zich zelf met verbrijzelde schedel daar beneden op de stenen voor de vierschaar. En opeens werd het smoel een gelaat in doodsangst.
Witte Wittesoen trok de man naar binnen en slingerde hem in een
89