De staart van de komeet passeerde in die zwoele augustusnacht. Opgelucht kwam Bram Hom in zijn winkel, de wereld was niet vergaan. Hij keek naar de overkant. Alle raambiljetten van Leo Bolle hingen op hun plaats. Fr was maar één heel kleine hijgekomen. Fén en dan zo'n kleintje. Dat kan geen kwaad, dacht Bram. In bovendien dwaasheid om zich zorgen te maken over raambiljetten terwijl vannacht het hele leven aan de staart van een komeet van ene meneer Halley hing. Belachelijk.
Fr kwamen mensen voorbij en ze keken naar zijn etalage en zijn biljetten. Ze stapten binnen, gul lachend.
‘Nou slager, gefeliciteerd.’
‘Ook gefeliciteerd. Ook gefeliciteerd. Wat een geluk, hè. En wat zal het zijn {'
‘Nóu, als we kiezen mogen, dan maar van die heerlijke rooktong,’ zei een oud vrouwtje, ‘dat kan een eenvoudig mens anders toch niet betalen.’
‘Welja, moedertje, neem het ervan. Wij zijn er doorgerold. Het was onze tijd nog niet.’ zei Bram Hom en zorgvuldig begon hij rooktong te snijden.
‘Nou, slager. Wij hebben onze tijd wel gehad. En doorgerold. . . ja, zeg dat wel. Het huwelijk is een gok. Maar die kinderen zullen wel gelukkig worden.’
‘Welke kinderen,’ vroeg Bram en keek op. Hij zag dat zijn winkel stampvol was gelopen.
‘Hè, vader, maak de kachel nou niet met me an,’ zei een zw are bootwerker. ‘Welke kinderen. . . hebbic soms al een paar graantjes voorat gepikt f'
Plotseling, vol argwaan, keek hij naar de overkant. Ook daar stond de winkel vol en buiten lazen de mensen het nieuwe plakkaat van Leo Bolle.
‘Moment, mensen, moment. Joop, Harry, help jullie even. Ik ga kijken wat die duivel weer heeft uitgehaaid.’
Aan de overkant gebeurde hetzelfde. Leo Bolle holde naar buiten, keek naar zijn winkelruit en zag het kleine plakkaat, maar door zijn
106