Genendel knikte goedkeurend, maar vroeg:
„En wat hij mij heeft aangedaan, Isaï?”
Hij haalde de schouders op, antwoordde gelaten:
„Wat betekent dat tegenover al het leed uit onze geschiedenis. Tegenover je vroegere ellende, tegenover de mijne, tegenover die van onze ouders?”
Zij keek op haar handen, rustig gevouwen in haar schoot, zei:
„Isaï, jouw beschouwing is de grondslag van ons leed. Aanvaarden, altijd aanvaarden, vergelijken en dan berusten. Daarom zijn we een volk met een gebogen nek, daarom voelt de grootste bandiet zich meer en hoger dan de grootste jood. Néén moet men kunnen zeggen, néén, néén!! Dan zal men opkijken en voorzichtiger worden met de gesel over ons. Misschien zal men ons achten.”
„Hadden wij de Zweed uit de Duitse landen kunnen weren, Genendel? Of het Kozakkentuig in Polen kunnen weerstaan? Zijn wij zwaarder getroffen dan de andere volken van Europa, was Maagdenburg alleen door joden bewoond?”
„Neen... maar je ziet ons in een te groot verband. Wij hebben te maken met de dagelijkse chicanes van kleine mensen. En kleine mensen maken de geest, de lust om een kruipend dier, dat zich niet verweren kan, te vernietigen. Zij maken de jodenhaat. En daarom... Isaï.” „Je wilt een voorbeeld zijn, Genendel?”
„Ja, want onze mannen zijn het niet. De jood zonder land en zonder vorst is noodgedwongen een wereldburger. Geldzaken en handel zijn wereldomvattend, wij joden moeten daarin gerespecteerd worden.”
„En hoe wil jij dat af dwingen, Genendel?”
„Met een harde taal, die de mens altijd verstaat. Met harde, op het recht rustende middelen, Isaï. Simon de Bye is misschien te beklagen, maar hij zal voor hen een teken zijn.”
„Dus?” zei hij zacht.
„Ja, Isaï... ondanks de wens van de overheid daag ik Simon de Bye voor de Schepenbank.”
Hij beschouwde haar, maar zij tuurde in de vlammen, die haar ogen deden vonken en zware soms flakkerende schaduwen in de holten tekenden. Ook het koperkleurige haar leek soms op te vlammen. Haar rijzige tors hield zij soepel kaarsrecht, de nek ongebogen, de mond vast gesloten. Een knappe vrouw, onverzettelijk, nuchter, trots... en koel. „En dan dit, Isaï,” ging zij voort, „oom Chajim waarschuwt tegen een lening aan John Cambell. Hij zegt dat deze lening de ondergang van
173