Isaäc de Fuentes

Titel
Isaäc de Fuentes

Jaar
1952

Pagina's
324



‘Ik heb je ommers gezegd, name bestaan d’r niet voor me en ik ben geen doodgraver van m’n gewete.’

Toen stonden zij op. Geert grabbelde opnieuw in zijn zak naar geld. Maar de doodgraver liet de vijf gouden tientjes in de offer-bus voor de armen glijden en zei:

‘Het is genog voor die arme slobbers. Dat krijge ze niet iedere dag. Ik zal je nou naar de weg brenge, want ’tis hartstikke donker geworde.’

Zij namen afscheid met een stille handdruk. En wat Geert in tijden niet had gedaan, deed hij nu. Toen hij weer in de stad was, nam hij twee borrels en een glas bier in een zeemanskroeg op de Dijk. Waar gelachen werd en muziek werd gemaakt.

Enige dagen later kwam Geert terug op de begraafplaats. Het was een zonnige dag, uitbundig van voorjaarsvreugde. In de verte ontwaarde hij de doodgraver, half uit de grond oprijzend, dan weer verdwijnend, met doffe plompen zijn scheppen zand rondom een vers graf strooiend. Even tuurde de man van onder de hand, waarmede hij zijn ogen tegen het zonlicht beschermde, naar Geert en groette met een korte, vriendschappelijke armzwaai.

Toen keek Geert in de richting van Treesjes graf. Er stond een man, groot en slank, het hoofd gebogen. Langzaam slenterde Geert in zijn richting, ging stil achter hem langs, keek schichtig naar het graf. Met snelle blik zag hij dat het met vers zand bedekt was en dat er bloemen op lagen. En hij zag ook dat de onbeweeglijke mannenfiguur bad, met de handen voor de ogen. En dat aan zijn linkerpols het tasje hing, dat David Viool uit het water had opgevist. Geert zuchtte diep en bevredigd, verwijderde zich langzaam en voorzichtig van tussen de graven. Nog even keek hij naar de onbekende, hij wist dat het Willem Honing was. Toen verliet Geert van der Toorn de beg*aafplaats, heftig zijn snorren opdraaiend, zo nu en dan kuchend.

Bij de uitgang staarde hij over het zonnige, verre polderland. Hij zag de wilgen en de molens, de dorpstorens in de verte, het rustig grazende vee, de solide hofsteden te midden van hoog geboomte.

En hij dacht aan het eeuwig-zich-vernieuwende leven en aan Jannetje Batelaan, de late zon in zijn leven.

318

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.