vragen. En dwalen, verweg dit land uit en er nimmer meer terugkeren. Maar er is iets dat hem tegenhoudt en hij kan het niet onder woorden brengen.
De oude man staat op en komt om de tafel naar hem toe. Hij legt zijn knokige magere hand op zijn schouder, buigt het hoofd en kijkt zijn zoon diep in de ogen.
‘Heb je gestolen, mijn jongen?’
Van Dalen schudt neen, zijn ogen branden.
‘Heb je gespeculeerd?’
Van Dalen zucht en antwoordt:
‘ja, vader, ik heb gespeculeerd en verloren.’
‘Maar niet van je eigen geld, Karei. Want dan was je niet naar mij toe gekomen.’
Met het hoofd in de handen vertelt Karei Johannes zijn ongeluk aan de oude man, die rusteloos door de kamer schuifelt, grote schaduwen op de muur werpend.
‘Dertig duizend gulden, dertig duizend gulden steekpenningen. Mijn zoon, jongen, hoe kom je erbij. Hoe is het mogelijk. Zo een som, daaraan kan ik je niet helpen.’
‘Vader, wat moet ik doen. Wanneer ik het geld niet vind, zal ik moeten vluchten of... ’
De oude man staat stil, draait zich langzaam naar zijn zoon.
‘Je moeder heeft je in pijnen gebaard. En zij huilde van vreugde toen je ter wereld kwam. Omdat je een jongen, een man was. Eer haar nagedachtenis, toon dat je een man bent en geen lafaard, voor wie de zelfmoord slechts de enige uitweg is.’
Driftig plukt de oude heer aan zijn bakkebaarden en vervolgt: ‘Verkoop je Franse fondsen en ga voor dat wat je te kort komt naar de leenvrouw. Ik zal mijn huisjes als borg stellen, met het risico dat ik in het armenhuis zal sterven. Ga nu, ik was reeds gewend aan het idee je nimmer meer te zullen zien.’
Als een geslagen hond is Van Dalen het huis uitgelopen. En dwaalde door'de stad en langs de havens tot het ochtendgloren. Versuft en huiverig en doelloos.
Zware stormen beuken de Hollandse kusten. Gierend gaat de wind door de steden, machtig stuwen de rivieren tegen de dijken en bedreigen het kostbare land. Huiverig en naargeestig vlucht men in zijn veilige warme woning en ’s avonds denken velen aan hun dierbaren die uitgevaren zijn.
233