En cr gaan weer geruchten van bank tot bank, van bank tot handeiszaak en de deining om Rebecca vermindert op slag. Opgezegde credieten worden hersteld, haast opgedrongen, nieuwe offertes worden gemaakt tegen zeer aantrekkelijke voorwaarden. Het is zo vreemd voor deze door zorgen gebogen vrouw, die ommekeer, waarvan zij de herkomst niet weet, doch slechts vermoeden kan. Maar een oude geldman kende de oorzaak en op de beurs heeft hij spottend een vriend toegefluisterd:
‘De leeuw heeft dreigend gegromd en wnj, op de drenkplaats hebben gesidderd en gehoorzaamd.’
Zo groot was Isaac de Fuentes geworden. En het wras Mei van het jaar 1850, na tien lange jaren.
Zomer 1850 en het is jannetjes vijftigste verjaardag. Vroeg is zij opgestaan en de brede ramen van haar slaapkamer, die op de Leuvehaven uitziet, heeft zij opengestoten. Zij ziet de zon opkomen tussen de huizendaken van de overzijde en wanneer zij naar rechts kijkt, ziet zij een stuk van de Maas, goudgeel in die ochtendzon. Zacht kust de koele ochtendwind het mooie gezicht van dit goede mensenkind. Hij kust haar vergrijzende dikke haren, haar frisse w'angen en kin en oor; hij streelt de prachtige grijze ogen welke jannetje even sluit; glimlachend. Ze staat er dan geleund tegen de raampost en denkt aan jaren terug; zo lang terug, dat de keel w'ordt dichtgeknepen.
Hoe ver weg en hoe dichtbij is 1806, de Franse tijd, toen vader en moeder nog leefden. Toen zij de avond vooraf niet kon inslapen en zich de jaardagmorgen versliep. Daar stond moeder breed lachend over haar heen gebogen, moeder, op wie zij zo sprekend gelijkt. En vader stond iets naar achter, in hemdsmouwen, het eeuwige stenen pijpje tussen de tanden geklemd, met vrolijke ogen en diepe lachplooitjes aan de slapen. De broertjes en zusjes plaagden haar, toen moeder haar rood en rozig van slaapwarmte, met haar beide harde, lieve, werkzame handen uit bed tilde. Jannetje herinnert zich de geschenken, gekleurde kaatsballen in een net en poppen en snoep. Maar ook de avond herinnert zij zich; dat zij weer op moeders arm zat in haar nachthemdje, moe van de drukke blijde dag en moeder knuffelde haar en fluisterde:
‘God zegene je mijn kind, dat Hij je geluk moge geven o zo lange jaren. Amen.’
205