Jannetje ziet weer op hem neer. Zo veel moedeloosheid heeft zij in deze man niet verwacht, zo veel liefde voor haar in deze koele, hoffelijke broodheer niet vermoed.
Haar gevoelens kan zij niet meer onderscheiden, ze weet niet of het medelijden, angst voor het verlies van deze vertrouwde omgeving of liefde is, dat haar nu met grote bezorgdheid vervult. Plotseling denkt er niets meer in haar. Met één pas is zij bij hem en drukt zij zijn hoofd tegen haar borst en ze zoent hem wild op ogen en mond. Haar blonde pijpekrullen vallen over zijn gezicht en hij ruikt de diepe geur van heur haar. En terwijl hij nog ontdaan is door haar plotselinge felle hartstocht, hoort hij zijn lot, gedragen door haar hete adem, in het oor gefluisterd:
‘Dit is voor eens en voor altijd. Vaarwel Isaac, mijn lief.’
Met beide handen voor de ogen is Jannetje de kamer uitgesneld en die avond nog heeft zij ongemerkt het huis van Isaac de Fuentes verlaten en is ingetrokken bij haar zuster Martha de Niet.
131