kig kunnen herbergen. Zij waren te arm en kenden geen enkele weelde. In de herbergen van de kleine steden was het niet veel beter. Het leven was er sober en ook daar hadden zij soms moeten overnachten in de gelagkamer, gezamenlijk op stro. En enkele nachten had Mocatta niet geslapen. Dan was een meid stillekens tussen het stro gekropen en de mannetjesdieren hadden elkaar willen neersteken, zo hoog waardeerden zij een beetje tederheid. En Mocatta was gedwongen geweest te blijven waken. Een mes is zo getrokken, vooral om een vrouw, al was zij reeds uit het stro gejaagd.
Mocatta rekte zich, wreef wat slaap uit de ogen. Vouwde zijn handen in de nek, keek op naar de bedhemel. Glimlachte, want vrouwen en meisjes kwamen ...
... Gracia Nunez uit Cadiz, Maria Navarro uit Cordova, Isabella Orabuena . .. joodse vrouwen, dochters van Marranos, ’s morgens neergeknield voor het Kruis in de kathedraal, ’s avonds en soms ’s nachts in diepzwarte kleding, ontdaan van alle sieraden, het haar strak langs het hoofd gekamd, verborgen onder een strakke zwarte muts. Bleek de gezichten, scherp sommige zorgelijke lijnen, de ogen groot en koortsig. De wijsvingers volgden moeizaam de geschreven karakters van de gebedenboeken, die waren binnengesmokkeld uit Constantinopel, waar de sultan machtig regeerde en toch welwillend was voor de Iberische Joden.
Gracia Nunez, zijn bruid, voor het laatst gezien in 148 5 toen hij een geheime reis maakte naar Cadiz. Voor het laatst, want twee jaar later werd zij door een dienstmaagd verraden. Alleen haar uitzonderlijk mooi gezichtje, haar tranen, haar bijzondere ogen redden haar van de brand-
79