Toen had het goud van het Huis Zacuto gewerkt. Zij brachten hem over naar een torenkamer.
Nog een dag. Hij kreeg twee bedienden tot zijn beschikking. Zijn maaltijden werden verzorgd door de beste kastelein van de stad. De relaties van de Marranos bij het hof hadden hun werk gedaan.
Hij wachtte op het proces.
Geld zal altijd ons schild zijn. De woorden van zijn vader schoten hem te binnen voordat hij insliep op het goede bed.
Manuel Zacuto zond drie geheime koeriers. Eén over Valladolid, León, Oviedo. Eén over Burgos, Pamplona. Eén over Zaragoza, Gerona.
Die van Burgos, Pamplona reed over Bayonne, Bordeaux en bereikte Antwerpen het eerst.
Genendel las. Langzaam. Spaanse tekst bleef vreemd voor haar.
Zacuto meldde de gevangenschap van Josua Mocatta. De senhorita was reeds veilig op reis. In een Italiaanse stad zou zij haar voorlopig einddoel vinden. De folter zou Josua worden bespaard. Dat was betaald met de teruggave van een schuldbrief op een Spaans landgoed. De grande was betrouwbaar, hij had steeds opnieuw geld nodig en er waren papieren die zijn zoon op de galeien zouden kunnen brengen. Manuel Zacuto eindigde:
‘Zend een man met volmachten en wissels voor de verschotten. Verbrand deze brief en alle die nog komen. Shalom.’
Geen aanhef, geen ondertekening. Twee eeuwen strijd met de Kerk waren een harde leerschool geweest.
Het goud had verloren van de Kerk.
283