Geerte schrok wakker. Vroeg in de morgen. Zoals dat de laatste tijd reeds meermalen was gebeurd.
En weer wachtte zij op de hoorn. Die niet blies, dat was reeds twee jaar geleden. Ei die stad in het noorden, boven de rivieren.
Geen bakker, niet neerhurken in de kleine betegelde hof. Geen glurende gildemeester, geen roggepap aan de haak voor Joost Kluwer. Niets van toen. Alleen het wakker schrikken. En het klamme zweet op haar voorhoofd om de angst voor Toenl
Geerte van Arcen richtte zich op in het ruime zachte bed. Schoof de gordijnen terzij. En zag de weelde van haar slaapkamer. En het Heden was daar, zonnig, rijk, veilig.
Tranen schoten in haar ogen, tranen van rust. Ze keek naar de grote schommelwieg naast haar, gleed lenig uit bed en boog zich over Ido, haar zoon. Lang bekeek zij het slapende gezichtje. Zo anders, zo geheel anders dan de borelingen uit Holland en Vlaanderen. Vooral de donkere wenkbrauwen en de wimpers. En het ferm gesloten mondje. Noch van Josua noch van haar was de kleur van zijn haren. Blond, Hollands blond.
Zij liep naar het venster, een licht zinnelijke prikkeling overviel haar door de kitteling van het dikke zachte exotische tapijt onder haar blote voeten. En een gedachte aan Toen, de huiverig koude plavuizen van de keuken in het huis van Joost Kluwer, overviel haar. Zij nam plaats in een dagobert bij het venster . ..
*55