‘Jhoshua bar Ido, u hebt mij diep verwond. IK moet daar liggen ... ik, op de pijnbank. En u ... is het recht om het gloeiend brandmerk op mijn voorhoofd te drukken.’
Mocatta schudde langzaam het hoofd, fluisterde:
‘Neen. Ons recht is slechts u te troosten en u te vergeven. God zal richten .Te Zijner ti jd.’
In Mocatta’s gefolterde lichaam werd het rustig. Hij voelde een behaaglijke warmte en twee zachte prikken in de schouders, voelde zich wegzinken. Hij fluisterde:
‘Shaddaïl’
De monnik zag hem bewusteloos worden. Even dacht hij nog na. Toen opeens, resoluut, greep hij het confessieboek en wierp het in de vuurpot. En wachtte tot het verkoold was. Hij stond weer bij de bewusteloze en fluisterde:
‘Jehoshua bar Ido, u bent het Joodse Volk. Op deze pijnbank bent u het héle Joodse Volk. Mea maxima culpa. Ik zal de straf dragen uw confessie te hebben vernietigd, hoe zwaar die straf ook zal zijn.’
De inquisiteur begon te bidden. In eenvoudige eigen woorden. Een mens tot de Almachtige, zonder boek, zonder middelaar:
‘Here, U hebt doen schrijven in hun thora: Gij zult niet staan tegen het bloed van uwen naaste. Here, neem de lastgeving van het Heilig Officie van mij. Laat mij een mens zijn. Amen.’
178