HOOFDSTUK XVII
Thuis
Er waren veel wonderbaarlijkheden in huis van Rozijntje, maar het wonderbaarlijkste van alles en het verrukkelijkste van alles was toch wel het kermisbed van Jack.
Alleen al de heerlijkheid, als je plat op je rug lag en je moest helemaal omhoog opkijken tegen Jupie, die maar op een gewoon bed lag!
Alleen al de diepe kniebuiging, die Rozijntje moest maken om hem in te stoppen! Tante Saar kon helemaal niet tot hem afdalen in de diepe diepte, waar hij lag. Hij verlangde het niet eens van haar, want het zou onmenselijk geweest zijn.
’t Was wel spijtig voor Lootje, dat die maar op een gewoon bed moest slapen. Zelfs niet bij Jupie op de kamer.
Hij voelde echt met Lootje mee, toen die een beetje sneu goedenacht zei de eerste avond. En half verontschuldigend voegde hij hem toe, dat het gezellig was om bij Roza op de kamer te slapen.
Het dunne houten beschot tussen de jongenskamer en de kamer van Rozijntje bracht een ongedachte verlichting van Lootjes eenzaamheid.
Toen de jongens op bed lagen en een gesprek samen begonnen, kon Lootje het zo duidelijk horen alsof hij in hun kamer was. En hij lag niet eens in het bed, dat tegen het houten muurtje stond!
Toen hij dat ontdekt had, stapte hij er uit, ging op zijn knieën op Rozijntjes bed zitten en bonsde tegen het muurtje, dat het schudde.
Jupie, die dacht aan een terechtwijzing van hogerhand, kroop haastig onder de dekens.
Jack volgde zijn voorbeeld.
Toen kwam als de verlossende stem van een engel Lootjes hoog geluidje:
113