niet meer treife. Wat doen die twee witte konijntjes nou? Het mannetje hangt helemaal over het wijfje, zouden zijn bloeddoorlopen ogen daar zo rood van zijn, of zou hij al een beetje bang zijn en voelen dat hij geslacht wordt en het daarom nog zoveel mogelijk keertjes willen doen? Ik tuur ernaar en kan mijn ogen er niet van losmaken. Wanneer zou hij klaarkomen? Zou het bij hen ook zo jeuken? Het moet wel lekker zijn. Sta niet te suffen. Of je wil of niet, je moet toch wat tegen vader zeggen waarom je zo laat bent. Daar heb je het loterijkantoortje al.
Ik stap bij vader de winkel binnen zonder een woord te zeggen.
Wat zien zijn ogen er vreemd uit. Rood, alsof hij heeft gehuild. Zou het om mij zijn? Omdat-ie bang is geweest? Dat kan nooit. Wie zou er om mij nou verdriet hebben?
'Eet gauw je brood op', zegt vader hees.
Ik loop naar de werktafel achter in de schoenmakerij, waar een halve maanzaadgalle voor me ingepakt lag. Daarnaast staat een grote kartonnen doos, met de post verstuurd. Aan de heer B. Santen, was er met zwarte inkt op geschreven, afzender Kindersanatorium Hooglaren.
'Wat is dat?' vraag ik verbaasd.
'Het zijn de kleren van Saartje', antwoordt vader nauwelijks verstaanbaar.
Zo laat? Het is al bijna een maand... wil ik opmerken, maar ik vraag: 'Zijn moeder en Maurits er niet?'
'Die zijn vroeg naar huis gegaan. Er was toch geen bliksem te doen.'
Daarom heeft vader gehuild, omdat hij alleen was toen het pak is gebracht. Om Saartje heeft hij gehuild. Krijsjen, zegt moeder altijd.
Krijsjen.
168