nu sta ik met mijn armen over elkaar, zoals vroeger op school, als je hoopt dat de meester je een beurt geeft. Ik schrik en klap gauw met het liedje mee: 'Zeven centen maar een pond, zeven cent, zeven cent...' Leent je Heyers stopt vlak voor mij. Ik steek mijn handen al uit om de hare te pakken. Ze doet een stap opzij, zingt voor mijn buurman: 'Een rijke heer kwam op mij af, en nam mij al mijn appels af...'
We moeten allemaal in een kring gaan zitten om spelletjes te doen. Ik voel me blij worden. Dan hoef je tenminste niet toe te kijken. Over voetballen gaat het. De mensen gaan niet de natuur in, nee hoor, ze sjokken naar een voetbalterrein waar ze als gekken tekeergaan. Massa-gedoe. Massa-suggestie. Dat moeten we nadoen. Eerst wordt er gemurmeld alsof we op een tribune zitten: barrebarrebarrebarre. Zachtjes, harder, zachter, weer harder, heel hard; dan moeten we onze armen omhoog steken en hoera schreeuwen alsof er een goaltje is gemaakt. Een kooltje is gestoofd, zegt Wim, iedereen barst in lachen uit. Ik ook. Maar ja, toch ga ik er ook wel eens heen. Naar Meteoor vroeger. Naar Ajax, met oom Izaak. Hij werkt op een sigarenfabriek en is toch ook niet zo stom. Hij maakt ook wel geintjes over aed, die club in de Jodenhoek: Ade-noi Een Doelpunt.
Na de spelletjes wordt er een verhaal voorgelezen met een diepere betekenis. Eigenlijk voor de oudere leden, maar ja, nu de Rode Valken erbij zijn mag het toch, zij worstelen er ook mee, zegt Wim. De geschiedenis handelt over een jongen die geen horloge had, en die er daarom een voor zijn verjaardag had gevraagd, een heel gewoontje maar, van een gulden uit de Hema.
129