Voor Betty, m׳n bewaakster
Terug van laatste bezoek aan Henk
10 april 5.30 uur 's avonds (de dag van het afscheid)
Neergebeukt, ineengezonken zat ik op die wanhoopsdag In mijn droeve ogen blonken tranen om wat ik nooit meer zag.
Toen ging heel stil mijn celdeur open Een Kameraad vol menselijkheid trad op mij toe in deze uren Een die tot helpen was bereid.
Ik hield haar hand vast in de mijne ,
terwijl 'k haar in de ogen zag Nooit zal ik dat moment vergeten toen u huilde om wat ik nooit meer zag.
Hij stond daar als in een stralenkrans Groot, dapper, zoals geen Hij had voor zeven maats geschreven te mogen sterven, hij alleen.
Ik naderde langzaam bang te verstoren het wondere mooie wat ik zag Moeder, riep hij, toen kwam nader Er kwam om zijn mond een droeve lach.
126