ze hebben een kaart van me gestolen. Het is zeker dat zijzelf de kaarten verkwanselt voor tabaksbonnen, ze is een kettingrookster, en ze wordt gek als ze geen sigaret in haar mond heeft. Het is een schandaal. Twee kinderen heeft ze, de een van een jaar of vijf, de andere is een baby. En nu ligt die baby zomaar dood in bed.
Er wordt drie keer bij ons aangebeld in de Cornelis Springerstraat. Wie zou nu nog komen? Vrienden kloppen na achten altijd even aan het raam om ons gerust te stellen. 'Ga jij weg', zegt Bep haastig, schuift de mat opzij, trekt het zeil omhoog en daarna het luik boven de kelder. Een sprongetje, en ik sta gebogen onder de vloer van onze huiskamer. Veilig is een dergelijke plek allang niet meer. Als ze je niet kunnen vinden, schieten ze door de vloer.
Even later tikt Bep met een stok op de grond. Ik haal opgelucht adem. Ik hoor Bep het zeil optrekken, en zelf duw ik het luik omhoog. En terwijl ik de spinnewebben van mijn jasje klop, kijk ik verbaasd in het gezicht van Rinus, met Hermannetje, een kind van vier, naast zich.
'De Grüne Polizei is bij ons thuis geweest', zegt hij. 'Iemand heeft ons verlinkt. Gelukkig was ik niet thuis, en Hermannetje hebben ze niet gevonden. Greet hebben ze niet meegenomen, de anderen zijn gearresteerd.'
Zwijgend lopen we in het donker langs de huizen, en voor de zekerheid houd ik een tas voor mijn ster gedrukt. Oom Piet en tante Riek wonen hier niet zover vandaan. Misschien kunnen ze daar terecht. Zo gaat het altijd. Voor anderen maak ik me te sappel, en voor mijn eigen familie heb ik godverdomme niets kunnen doen.
ioo