miniem in verhouding tot de inspanning en offers van zijn eigen zonen.'
Terwijl ik opsta om, na Michel, een laatste woord uit te spreken, voel ik mij blij eindelijk de waarheid te kunnen zeggen, los van de guerrilla om details, en te getuigen van onze eigen, revolutionaire wereld tegenover die van de burgerlijke maatschappij.
'Ofschoon de officier van justitie ons per se wil doen geloven, dat dit geen politiek proces is, legt hij in zijn oordeel uitsluitend politieke maatstaven aan: mijn vriend is in de Vierde Internationale de belangrijkste politieke leider, dus is hij ook het meest verantwoordelijk voor de ten laste gelegde punten. De bekwaamheden van Sal Santen, mijnheer de president, liggen veeleer op het gebied van de organisatie. Zou het er daarom niet voor pleiten, dat mijn zogenaamd dekken van mijn vriend een werkelijke situatie aanduidt?
Het verschil in eis tegen hem en tegen mij heeft daarom een politieke, geen feitelijke ondergrond. Hij is buitenlander, zegt de officier van justitie, Santen is dit niet. Maar Santen is redacteur van The Newsletter, mijnheer de President, hij is internationalist. Hij schaamt er zich geenszins voor, Nederlander te zijn en is in zijn leven meer dan eens ontroerd geweest door de openheid van het Nederlandse volkskarakter, voorzover men daarvan kan spreken. Maar hij behoort niet tot hen, die prat gaan op hun nationaliteit. Als leden van de Vierde Internationale zijn wij bewuste burgers van deze wereld, en wij hebben dit getoond: wij staan hier beiden terecht wegens internationale solidariteit.
Maar Santen had zo'n fatsoenlijk gezin voordat hij
375•