hout namens de krant spreekt. Jij houdt je kaken op elkaar.'
'Prima', antwoordde ik. Nu hoefde ik tenminste niet te vertellen wat er bij Het Vrije Volk was besloten. Schelfhout was het met het compromis eens geweest, en hij vond dat er weer gewerkt moest worden. Dan was hij ook de aangewezen persoon om het de vergadering mee te delen.
Ik zocht een plaats in de zaal, propvol tot aan het balkon. Dat er zóveel bedrijven meestaakten; ook handelsdrukkerijen hadden zich bij de actie aangesloten. Hier zaten uitsluitend de vertegenwoordigers van de arbeiders, wel vierhonderd schatte ik, nee, het waren er meer. Naast mij, zwijgend voor zich uit ziend, een lithograaf van Het Vrije Volk, die elk gesprek met mij ontweek.
Een bestuurstafel stond op het toneel, dat als podium dienst deed. Een grapjas liet de gordijnen een eindje zakken, doch gebrul uit de zaal joeg hem weg. Boucher, opnieuw voorzitter, stond op. 'Ouwe zeerover', riep iemand, gehamer, doodse stilte.
'Eén dag staken is voldoende geweest om de heren weer achter de conferentietafel te krijgen', zei hij onder algemeen applaus. Hij was bestuurder van de Eenheids Vak Centrale geweest, beweerde men, en zijn zelfbewust gedrag verried zijn ervaring. Stalinist was hij niet, hij had immers het communistisch dagblad scherp aangevallen en van 'stakingsbreuk' gesproken.
Het werd weer stil, en de spreker vervolgde: 'Ook de staking kent haar achturendag. In die acht uur hebben we immers meer bereikt dan de vakbondsbestuurders in een half jaar overleg. Er is een compromis voorgesteld, dat gisteren nog ondenkbaar scheen. Waarom zouden wij ons haasten om het te aanvaarden als de tijd zo in ons voordeel
178