ONDERWIJS. 65
regel op hun 6e jaar ingeschreven, tot hun 10e jaar op plaatsing moeten wachten.
Wanneer in 1820 een nieuwe school er bij komt, moeten Burgemeester en Wethouders verklaren, dat des niettemin de mogelijkheid van plaatsing vóór het 10e jaar gering blijft.
Om de armenscholen te ontlasten, worden de tusschenscholen gesticht voor het deel der arbeidersbevolking, dat in staat wordt geacht een bijdrage te kunnen geven. Aldus ontstaan de eerste stads-standenscholen. Het is op dezen grondslag, dat de organisatie van het openbaar onderwijs te Amsterdam in de geheele 19e eeuw berust. Eenmaal den eersten stap op dezen weg gezet, volgt de tweede spoedig. In 1830 wordt besloten burgerscholen te stichten, die hunne uitgaven uit de schoolgelden moesten bestrijden. Tot bloei komen zij niet, mede omdat, ten einde het particulier initiatief te sparen, op deze scholen geen onderwijs in het Fransch gegeven wordt. Dit particulier initiatief wordt slechts door de financieele mogelijkheid gebreideld. De gegoede klasse heeft voor haar kinderen de keus tusschen de Fransche scholen en de instituten, welke voor het hooger onderwijs voorbereiden. Daartoe behooren de Latijnsche scholen, ter voorbereiding van het bezoeken van een der universiteiten, of van het
AMSTERDAM EN ZIJNE BEVOLKING. 5