153
TOONEEL EN MUZIEK.
de Bouwmeesters, de Haspelsen. Jaren achtereen was het gewoonte, na het vertoonde tooneelstuk een ballet uit te voeren, hetgeen tot een leven-digen handel in „contramerken” aanleiding gaf.
Nevens den Stadsschouwburg had Amsterdam het Grand Théatre in de Amstelstraat, waar A. van Lier de hoofdstedelingen deed kennis maken met de grootste buitenlandsche, vooral Duitsche tooneelkunstenaars. In de Amstelstraat had men voorts nog de Salon des Variétés, van Boas, Judels en Bouwmeester, waar men voor „een vertering” ad 60 cents draken en blijspelen genoot. Later zag deze kleine schouwburg de revue geboren worden (Reyding’s Doofpot) en er werden ook, onder directie van Kreukniet, de eerste stappen gedaan op den weg naar het moderne realistische tooneel (het was in de dagen van Antoine en Lugné-Poe), door opvoeringen van stukken als Hauptmann’s Wevers. Het gebouw werd in den aanvang der twintigste eeuw afgebroken, om plaats te maken voor De Nieuwe Karseboom.
In de Nes had men twee schouwburgen, Frascati, ter plaatse waar thans het verkooplokaal van dien naam is, en Tivoli, waarvan elk spoor verdwenen is. Men gaf er stukken van geringe waarde en soms ook wel variété-uitvoeringen,