Dan dwong hij zich weer tot devoter rust en zacht ver-vredigde hij den opstand in zijn denken.
* *
*
Ze bood hem dikwijls aan, de juffrouw, hem te helpen met half afgedragen of verslingerde kleeren van den baas. Dan zei ze het zonde te vinden, ze daar te laten liggen of te verkoopen, want zij zag wel zijn lijfelijke ellende eiken dag. Maar met fijn-vrouwelijke kieschheid vermeed ze er over te spreken en probeerde hem zoo te helpen.
Maar telkens als zij het vroeg, was het of er iets teeders was, dat hij wel tot zich trekken wou, maar met geweld van volharding af ging weren; was het, in de weeë moeheid van zijn lijf, in de dagenlange versimpeling van zijn verbeelding, of er iets overweelderig-zachts kwam aanwaaien van haar stem, dat hij terug wou stuwen, om zich niet bloot te geven; of zij hem kuste en trapte tegelijk.
Het pijnde hem tot een even fel flitsende marteling, als zij hem wel naderde met zachtheid in haar soepele weeke stemgeluid — hij wóu niet, née — hij wóu niet — waarom zou-ie zich door haar late hellepe... was ze niet zijn vrouw? as er wat te hellepe was, dan moest hij ’t doen... dan moest-ie ’m maar wat meer geve... wat gaf dat allemaal, misschien wel aanstellerij van d’r ... misschien ... misschien hij kon ’t niet zéker zegge... want tóch leek ze ’n goeie vrouw, dat móest wel, als je zoo’n man had, zoo’n man, die je zoo treiterde de héele dag, die nachten uitging en je alleen thuis liet met je kindje — om dan bij andere te gaan; als je zoo’n beestmensch naast je had — die geen oogeblik