kuste stiekem, op de zijig-poezele koontjes, en weèr en nog eens, lang; tóch schuchter, angstig — ze moesten ’t niet zien — de anderen — dat ie zoo van 9r houe ging, van die póp, van die kleine heerlijke meid — ze hoefden ’t niet te weten, dat was zoo of-ie zich in wou dringen — en weer kuste ie op de lipjes, ’t mondje, en vroeg stilletjes terug: «hè Roos ? ja! hou je dan van me ?» Ze knikte met rustige, klare oogjes — ernstigjes: «jaa — gerust — vraag *t maar zellef an mamma eèécht! ...» Tot-ie zich wiegen liet maar op iets heel teêrgelukkigs — een broosrijke bloemenadem.
Maar dan was het soms plots een bijkomen van den baas — en hij durfde dan niet, deed ruw tegen haar, probeerde haar voorzichtig af te weren: hij had nou geen tijd. En het pijnde hem, als-ie zag dat ze schreiend wegliep — ze vond hem gemeen doen nou —■ nou weer ineens zoo kwaad tegen ’r — ze had m toch ommers niks gedaan — hè pappa — hoe vin u dat nou ? hè ? die nare Moos.»
— «Moos mot werreke — ga naar je moeder — vooruit, daar hebbe we hier geen tijd voor hoor h Huilend liep ze dan naar binnen . . .
En hij voelde wel, daar was iets hards in dien man, dat hem dikwijls pijnen zou.