buite de regel gegane wordt — of — buite — buite zooas ’t hoort — ogh! van jóu kan ’k geen hoogte krijge — dat gaat bove me herses — ’k kan 'n boel begrijpe — ’n heele-boel — of ’k zal niet levet hier vandaan komme — maar van jou niet — daar kan ik niet inkomme — kom ’s hier — mot ’k effe water voor je hale? wach dan effe hier.»
En na z’n vermoeienden ernsttoespraak, liep hij heen, kwam even later terug met ’n natte witte doek, die ie om Moos’ bloedende hoofdwond bond — en saam wandelden ze terug naar stad.
* *
*
— cWat is jou gebeurd ?» vroeg ze toen-ie binnenkwam. Ze stond in den winkel, met eéne blanke beringde hand op ’t marmer van de toonbank, een hooge wije schort met luchtig geglij omhing ?r mooie slanke lijf; ’t donkere hoofd — met volle zijige wangen, een even geestig gebogen neus, levendig rondblikkerende oogen, veel zacht glinsterend-zwart opgestoken haar — stond genegen naar ?t rumoerig beweeg van de schreeuwende Breestraat. Naast haar wiegde ’r tweede hand kleine Roos in lachend geschommel door den winkel.
«Mijn juffrouw? wat mijn gebeurd is? niks hoor.»
«Niks?» lach vroeg ze — «waarom hè-je dan ’n doek om je hoofd ?»
«O nou,» zei-ie hoofdnikkend onverschillig «eve gestoote.»
«Gestoote? waar?»
»Och nou — op straat.»