daadlijk tot dóen gekeerd en voor veertig cent haalde hij een paar nieuwe sokken. Het was van kwitanties ontvangen geld voor z’n baas — ’t was gèld dacht-ie, de juffrouw uit den kousenwinkel nam ’t in betaling en zei haar dankje er voor en haar groetjes. Dan, in een starre koppigheid wèg-duwend al ’t weer even waarschuwend-opfluisterende, ’t wegtrappend als in de geweldige hardheid van zijn lompere passen, als in de laatste ketsing van zijn voeten door de volgeregende kuilen, waar-ie ze in brutale grimmigheid met opzet in neerspatte, liep-ie naar ’t Waterlooplein en voor zestig cent kocht hij zich aan een ouwe-schoenenstal een paar stevige bottines. Hij ging terug naar de Zandstraat en boven wierp-ie z’n mand neer, trok z’n schoenen uit en kreunend van genot reinigde-ie z’n voeten. In een verzadigende gretigheid, een heerlijke wellust trok-ie zich de droge weelde aan van de schoone sokken en schoenen en twee, driemaal stampte hij op den grond, knippend met z’n oogen van keerende frischheid. Hij voelde zich krachtig worden, krachtig-jong en brutaal, hij slingerde de mand over z’n schouder, holde de trappen af, betrampelend wild-uitgelaten de treden met z’n hakken en liep neuriënd den regen in. Toen maakte hij een nieuw lijstje van de ontvangen postjes, sloeg er eentje over van een gulden en twintig cent, en bracht de twee restende dubbeltjes uit z’n geldbuideltje in z’n vestzak.
’s Middags, laat, toen-ie thuiskwam, beefde maar heel even z'n hand, toen-ie rt lijstje overgaf aan den baas. Maar met een paar maal kuchen, draaien, informeeren naar werkdingen, hervond-ie z’n effen toon, zéker, dat ’t niet uit zou komen.