DE JONGE HERDER
Is-ie d’r niet?”
Zijn hondenkar staat voor de deur in het najaarsche donker.
„Vader is er niet.”
„Dan zet ik het hier wel neer,” zegt hij. Hij sluit de deur en zegt zacht, dicht bij hen zoodat Leamompelt: „jajem soorcf” (jenever):
„Ik had nog een mooi beetje koper voor ’m, voor een klein prijsje; ik ben er ook goedkoop an gekomen.”
Hij ziet de kinderen aan, in de gang, met zijn van drank roodige oogen in zijn geschoren kop van een kerel die in mannelijkheid overslaat. Hij draagt een boersche hooge pet, en zijn scherpe bek, met vegen van bruin pruimsap, snauwt dreigend alsof hij het niet gelooft:
„Is-ie d’r nou niet? Godverdommie?”
Alle drie tegelijk, niet zonder angst:
„Vader is er niet.”
„Over een kwartier misschien.”
„Over een kwartiertje,” zegt hij met een veeg langs zijn bek, en hij neemt hen van hoofd tot voeten op: ,,’k heb een mooi zoodje voor ’m.”
Hij zwijgt somber.
„Vader is er niet,” (banger) „over een kwartiertje misschien, niet?”
Zij zoeken steun bij elkaar.
„Dan zet ik het hier neer,” zegt hij.
Zij durven niet weigeren en elkaar nauwelijks aanzien, terwijl hij twee zware zakken van zijn karretje grijpt en achter in de gang zet.
„Ik kom dammee wel terug. Maar is-ie d’r dan ?” „Jazeker.”
„Want godverdommie, ik loop d’r geen zes keer om,” snauwt hij.
„Nee strakkics is vader er.”
Hij gooit zonder een woord de deur weer achter zich toe, met een slag alsof hij op hun hoofden gemunt was. „Strakkies komt-ic weerom, dan is-ie nog veel sjikker-der,” zegt Lea, „as vader het niet koopt, slaat-ic vader
412