„Hè,” zegt vader, „bah! nou ik kan er het aardige niet van zien hoor! Is het werkelijk zoo?”
„Jazeker!”
„Mooi zoo,” zegt vader bitter, „’t Is knap hoor, dat moet ik zeggen.”
„Plezierig voor z’n meisje,” roept de meester verlicht. „Wat wil men?” zegt Levie, „dat is het leve!”
„’t Is mooi. ’t Is fijn!” Jankef zucht diep. En Jozef schudt zijn hoofd en sist spottend:
„Een zwijne-pan hoor!” zegt hij, „dat is het leven! Je moet het leven maar kennen.”
Maar er wordt gebeld, en tante Fie staat geschrokken op. „Gaat U weg tante Fie? U hoeft niet weg! U kunt er gerust bij blijven hoor.”
„Ik heb hier niks bij noodig! Jullie hebben jullie zaken met mekaar, daar hoor ik niet bij. As je maar sjolem (vrede) met mekaar houdt, en die vrouw niet mishandelt en grauwt. Je vader die heeft voor alles zijn best gedaan; hij heeft jullie (Betje van Gelderen staat al in de kamer) allemaal fatsoenlijk groot gebracht. AI is d’r wel eens eentje bij die verkeerd loopt; vader weet best, wat hem te doen staat. Nou ik ga. God geeft ieder zijn lot, en ik heb het mijne. Goeiendag!” zegt zij onder het heengaan tot Betje van Gelderen die verlegen lachend binnenkomt. Het is pijnlijk voor Eli, hoe de jongens verder met vader en alle anderen spreken zonder naar Betje van Gelderen meer een kik te geven. En daar zij zich de zonen van het huis voelen, zit zij vernederd, hoezeer vader haar ook poogt te beschermen. Hij brengt haar naar huis, en neemt kort en spijtig om de verwijdering die hij nu niet herstellen kan, afscheid van de jongens:
„Als jullie tenminste nog eventjes tijd hadden, al was het maar tot morgen-ochtend vroeg?” zegt hij vragend. „Ónmogelijk vader.”
„Dan kon er nog even fatsoenlijk menschelijk gepraat worden. Nee? móet jullie weg? Nou,” zegt hij met verdoften blik, „dan kan ik er ook niemendal aan doen. Dan wensch ik jullie goeie reis jongens. En het beste hoor, thuis ook.”
Eli voelt dat Vader bewogen is om het afscheid dat het 410