dingen. Je zit te denken, en opeens staat hij vóór je, en raffelt zoo kort en krachtig:
„God is groot! We kunnen het niet begrijpen! De mensch kan het niet begrijpen! Hij redt Israël door alle gevaren heen! Men moet aan God denken. Altijd, bij alles wat men doet, moet men aan God denken! Begrepen? Jonge?”
„Ja meneer.” (Die Schwanz).
„Ja meneer. Ja meneer; jameneer jameneer!” Vriendelijk staat hij bij hem en geeft hem bij elke jameneer, een zacht tikje tegen zijn wang. Het beteekent: wij begrijpen elkaar uit de verte.
Maar het heeft niets geholpen, alle keeren dat hij in zichzelf verborgen gebeden heeft. Niets. Alle vreeselijke dingen zijn toch gebeurd. Toen Ezra moest sterven, heeft hij heel stil in zich zelf gedacht: „O God, laat Ezra ophouden met dat hijgen; laat-ie weer mijn broertje zijn, en fijn aan de Burgwal knikkeren of visschen.”
Niets. Alles ging gewoon door. En laatst nog, in die voortdurende ellende van het bed nat maken ’s nachts. Vijf maal achter elkaar, en Lea had huilend gezegd: „Ik doe het niet meer hoor! voor zoo’n groot kind. Dan moet je het maar laten, hoor! Moetje maar uit bed komen.” Hij had zich zoo ontzettend geschaamd voor het groote meisje; het hielp niets. En toen gebeurde dat vreeselijke bij Jozef thuis, die getrouwd was met juffrouw van Raalte. Op dien avond moesten ze hier allemaal weg en hij slaapt bij juffrouw van Raalte thuis, in een prachtig bed. Jozef heeft niets gezegd, maar hem enkel aangekeken toen hij hem goeiennacht zei. En hij is gaan liggen, en toen heeft hij in zichzelf gebeden:
„God van Abram, Izak en Jacob,
Laat morgenochtend mijn bed droog zijn hier.”
Hij is midden in den nacht wakker geworden, en hij wist meteen het reddeloos-verschrikkelijke: midden in de ellende lag hij van een klam, warm, drijf-nat bed. Er is niets tegen te doen; je blijft vol schrik liggen. De schrik kruipt langzaam door je heen, als je aan het opstaan denkt, als je je lijf eruit wegnemen moet en het bed aan
364