Breng ons, o, Eeuwige,
Onze gevangenen,
Als waterstroomcn In dorstigen grond.
Zij die zaaiden Onder hun tranen,
Zij gaan nu maaien Bij dit gejuich.
Hij die schreiend Zijn weg moet meten,
Dragend den buidel Broodbergend zaad;
Hij zal straks komen,
Zal zingend keeren;
Tilt triomfeerend Zijn garven graan.
Lof van den Eeuwige Mijn mond zal spreken;
Alle vleesch prijst immer Zijn heiligen Naam.
En wij wijzclven,
Willen God loven,
Van nu af ten Einde,
Hallelu-jah!
Hierna zegt Jankef die grappige uitnoodiging:
„Hör zu, Rabbousai (mijn meesters, want elk manlijk kerkelijk meerderjarige heeft dien titel) wir wollen Bensjen.” Na hun antwoord: ,,Dc naam des Eeuwigen zij geloofd, van nu af tot in Eeuwigheid,” zegt Jankef:
,,Bir-sjoes, (met verlof) van den leider van dit huis willen wij loven hem van wiens eigendom wij gegeten hebben.” De anderen sluiten de inleiding zingend met:
„Geloofd, van wien wij gegeten hebben, en van wiens goedheid wij leven.”
Het gaat verder alles heel snel, tien minuten zoo; de
121