de banken en op enkele oude stoelen die eens wel mooi geweest moeten zijn, een kring Jodenmannen, alleen de armen, een groepje vaste komers van twaalf tot twintig stuks, om de tafel waaraan meneer Meijer staat achter zijn lessenaar, en ook wel hangerig tegen den wand. Het duurt tot vijf minuten voor eenen: dan loopen zij in een klein groezelig en druk pratend optochtjc naar Sjoel voor den tweeden, den Mincha-dienst. Meneer Meijer is naar zijn bovenwoning gesneld, en vlak vóór de Sjoel, daar gaat hij met zijn vluggen kwieken tred, hen opeens weer voorbij en groet, hooghartig-gemeenzaam, met zijn glimlach, die den mond hoog scheef tot op de helft van zijn wang trekt, een waar kunstwerk van een glimlach, voor rijk en arm toereikend aan vriendelijkheid, omdat de maker, na een lang gevecht, er den strijd mee uitdrukt tus-schen zijn welstands-afkomst en zijn plaats in de arme kleine kille; tusschen zijn onvervulde wenschen van stoffelijk en geestelijk leven en zijn tevredenheid met den verworven eerbied die zijn hartelijkheid niet kan afwijzen. En omdat de glimlach beveiligend is voor hemzelf, en voor den begroete, als een arm die tusschen twee snel geplaatste maskers een warmen groet wuift, met een onuitgesproken maar duidelijke bede, dat er niet meer gevraagd zal worden. Zooals de Sjoeldienst dan is, kil en haastig na den vollen rijken ochtend-dienst van meer dan twee uren, zoo is, om drie uur thuis, nadat er koffie en vaak wat visite is geweest, de maaltijd: een ware bezwijming van het feest. Het is nog vriendelijk en verteederend, het „Bcnsjen”, het dankgebed na het eten; maar die vriendelijkheid en die verteedcring zijn al niet anders dan berusting in hun samen-gevoel van de onmacht die zij, jegens het snelle afloopen van den dag, aan zichzelf beginnen 'te' kennen. Jankef deunt nog met zijn laatste leven-digheids-klem dat Bensjen op, en de anderen, bij het roepen van de korte bezegelende Hebrceuwschc volzinnen, en bij het sluiten van hun kleine liedjes rondom zijn matte aanheffen, glimlachen nog en maken pretjes met populaire wijsjes en grapjes met woordenspel. Midden in de onvoldaanheid, terwijl de handen en monden vergeefs kleven, begint hij, nadat hij haastig en verborgen zijn
125