Aron, die Fantin en Rifke een eindweegs in zijn reiskoets had meegenomen, wilde zijn schuilplaats niet meedelen; hij nam afscheid van hen in de omgeving van Stuttgart. Zij vreesden de dorpen, waar een klein aantal Joden, vaak niet meer dan twintig, zodat men met moeite de Synagogedienst kon handhaven, leefde op de grens van de zekere dood. Zij zochten de grote stad, de grote Joodse Gemeente, de Kehilla; in Worms konden zij niet voor de tweede maal binnengaan, zij kwamen heel in Mente terecht, zoals Mainz toen heette. Daar was Aartsbisschop Heinrich de Joden te hulp gekomen om de dreiging van het volk terug te leiden: ook daar, evenals in Strass-burg, in Bazel en Speyer, waren de Joden, in de hoop met gezag en strengheid de grootst mogelijke veiligheid te winnen, hun schuldenaars schijnbaar onverwacht te lijf gegaan. Zij waren plotseling de termijnen voor afbetaling van de leen-sommen gaan bekorten; wilde de schuldenaar die verzwaring van zijn verplichtingen afkopen, dan werd rente op rente van hem geëist en had hij die nieuwe betalingsvorm met een eed te bekrachtigen.
Er waren ook in Mainz Rabbijnen die zich verzetten en inbinding wilden, zoals de aanzienlijke Rabbi Mollin met zijn drie zonen, van wie de jongste later een Joodse beroemdheid zou worden. Maar zij hadden veel gezag verloren; anders dan in de eerste grote vervolgingen, morden veel Joden tegen de geleerden, die tot Godsvruchtige ijver maanden, maar met hun duizend verboden, spitsvondigheden en een massa droesemig bijgeloof, geen enkele uitmoording ooit hadden kunnen afwenden. Aartsbisschop Heinrich had toen ingegrepen. Hij ontsloeg de schuldenaars van hun eed, de afrekening werd waardeloos, de dreiging ging zich leggen. Een deel van de Kehilla