Het meisje Henna, met haar hazelip en haar slisspraak, dochter van Reb Heilman de arme schoenmaker, moest met haar verrassend moederschap zelfs de bruiloft verontrusten. Hoezeer het dan wet was geworden, geen feest met treur of moeilijkheid van geschil te doorbreken, — aan de maaltijd werd bekend dat een van de geleerden zich tot de vader in twijfel had getoond omtrent de vraag of hij zijn dochter mocht doden. Het was Rabbi Nathan geweest, een van de twaalf gemeente-bestuurderen, en wat het nauwelijks onderdrukte tumult teweegbracht, was dat hij zo gesproken had uit zwakheid. Want Reb Heilman de schoenmaker had Reb Vidal de Synagoge-dienaar weten te bewegen, de geleerde zijn beloofde deelname in de grote Lening te onthouden als hij niet een poging zou doen, de vader uit zijn benardheid te redden. Het meisje kon niet aanvaard worden, het was voor altijd besmet, het zou tussen de Joden van Worms, en eigenlijk niet anders dan op een zoldervertrek, moeten leven als een doodverklaarde, wie men zonder een woord het nodigste voedsel als aan een hond in een hondenhok zou moeten voorschuiven, tenzij men haar de woestijn van de wereld in joeg op gevaar af van haar Christin te zien worden. Was zij dan uit dit bedorven bestaan in de dood gestoten, dan zou, zo wist de vader, de schande geboet zijn en vergeten worden. Onder die druk van de deelname aan de Grote Zaak te worden uitgesloten, had Rabbi Nathan zijn vergrijp gepleegd. Toen de vader hem daartoe bezocht, had hij Reb Heilman aangekeken met zijn mismoedige kop waarin de zwarte knevel over de kortgeknipte zwarte baard hing zoals de bovenlip op de onderlip woog; hij had gezegd dat naar zijn inzicht het meisje in gevaar was weg te sluipen en Christin te worden, en dat het in zulke gevallen geoorloofd en zelfs hoog