ste zenuw verkwist, door het gezamenlijk verwerpen van alle rem en schaamte, onder drinkgelag, onder feest zonder grens en messentwist. En toen nog vele maanden later de Pest kwam binnendrijven, vond die een uitgeputte bevolking, een prooi die geen droppel verweer had gespaard. Op Corsica gold gemeenschappelijk bezit van vrouwen en van goed als uitbundig beleefde nood-zede; in Parijs en in Rome hield men grote feesten en drink-partijen met open tafel voor iedereen; niemand geloofde meer in enig durend bezit, doods gewisheid en hang naar steun in de uiterste zondigheid had broederschap gebracht die tevoren niemand ooit mogelijk toescheen. In de Kathedraal van Alby werd een fiesco geschilderd, dat de onderlinge mannenliefde verheerlijkte. De maatregelen van de Stadsraden waren niet meer dan loze voortzettingen van een vorm, angstig gebabbel tegen die algemene hete uitbarsting van lustgeweld: trouwbeloften werden waardeloos verklaard; onwettige huwelijken ge-echt, die weer in zinnen-slemp uiteendreven. Verbod van opzichtige kledij en van uitgebreide maaltijden, lagen onder duizenden dansende voeten vertreden, in geslikt bij de wijn en het overvloedig gebraad van de uitdagende bras-bijeenkomsten, en als een ophitsing be-lachen op de bedden, de ligbanken en het gebrekkig plaveisel, die bedekt waren met de zwijmel en de razernij van het losgelaten Vlees. In die joelende wereld, waar millioenen harten met Phallus en borstennaakt op vrede jaagden, leefden ook de Joden, en vluchtten en keerden zich, en leenden en werden geleend, en stierven in Pest of in vlammen, en vluchtten weer, en zochten vrede. In dat door allen gezwolgen ideaal van een Heidendom dat het geluk wilde vervangen, dat wraak nam op zijn ontijdige, opgeschroefde verbanning. Het Heidendom riep eindelijk zijn stuntelig tegendeel op: de komst van de Geselbroeders, te zeer nog broeders van het verleden, om voor hun heden een zinrijke gesel te kunnen zijn.