269
zenuwachtig ommerappen der handen van naaister en zusters, was eindelijk gebeurd; de vrouwen keken nog eens langs en omme, zuchtten en keurden goed, wierpen nieuwe overwegingen op en gaven eindelijk toe en fleemden en zongen met ontroerde kelen dat 't chiek was. Dan, vreemd-pleohtig, verward bewegend, gingen Meijer en Moos naar buiten, lieten, langzaam ze ordenend, de koetsen voorkomen, de bruidskoets achter, om het bruidspaar niet op de anderen te doen wachten.
Aan het eerste portier stond Meijer opgewonden stil, wachtend op de ouders. Ouwe Beem was naar de deur geloopen, liet Wolff en z'n vrouw voorgaan den winkel uit, om daarna zelf met z'n vrouw in te stappen. De Beer en z'n vrouw zouden daarna gaan en de drie getuigen en eindelijk het bruidspaar. Hij zag naar buiten, de eersten instappen; de waardige plechtig-heidsgevoelens van alles maar vooral goed en netjes te laten afloopen, overheerschten alle ernstiger denken in hem. Zijn gezicht stond gaaf-aandachtig, 'binnen de feestelijke verpropering van opgestreken hoed en linnengoed, de buitendeur om te zien; dan keerde hij zich naar zijn vrouw, en zei haar, nu te gaan. Doch vóór haar uit ging hij even naar buiten, om te zien wat woeling er onder kwajongens en menschen gonsde om de rijtuigen. „God, god," riep hij, „woar komen al die menschen vandoan?"... . Hij zag honderden aanloo-pen, dooreenwirrelend over de straat, langzaam in dichte rijen, eindelijk de rijtuigen voorbij.
„Wat is d'r te doen?" vroeg-ie een der koetsiers, die, afgestegen van z'n rijtuig, waaruit de 'hoofden der ingestapten zich kijkend bogen, de straat stond over te spieden.
„Een opleupien. ..." zei de koetsier, „d'r wordt er eene op-ebrocht, geleuf 'k."
„Hè?" zei de ouwe bleek en liep vooruit tot het laatste rijtuig, „hè. ...?.... Ogod ogod!" kermde hij