267
Op de canapé, alle drie in zwartgebloemde zij, zaten Moeder en tante Nette de Beer te praten met Fietje's tante, een dikkig oud vrouwtje met bolblozende wangen nog, wier zwarte bandau-kapsel haar eigen mooie grijs-zilverige haren dekte, waarvan warreltj es pluisden onder de hooiig-harde wegstrijkingen. Zuchtend vertrouwelijkte ze naar het in zwarte feestelijkheid weggeknepen vrouwenkopje van Moeder, over het grootbrengen van kinderen, waar je, zei ze, toch zoo weinig aan hadt. Ze had zóóveel voor ze gedaan, ze aan al wat plezier was, mee laten doen, en och, wat hadt je d'r toch eigelijk an?. ... ze gingen van je wèg.... een man, kinderen, een zaak, ze vergaten je toch, je lag achterbaks, je was niks meer. .. . Met graagte heet Moeder in de niet eens echt gemeende bitterheid van haar nieuwe dame-kennis: ja, ja, je hadt er niks an. .. . juist juffrouw. ... ik zeg het altijd. . . . 't is allemaal niks.... ze schoppen tegen je an. . .. „En as 't nog je eigen kinderen niet waren," zei ze onder geknik van Nette de Beer's scherpnijdige hoofd, „dan kon 't je nooit zoo zeer doen, maar zooas zij. . .. och god. ... ze rekenden je niet. ... je was nog minder as n' vod. .. . Wat had ze geen verdriet van haar oudste, van Joop. .. . liét z’n moeder toch links liggen . .. .keek niet naar ze óm. ... ja, je hebt wat 'n verdriet van eigen kinderen."
Juffrouw Wolf krabbelde gauw terug, vond 't dagje veel te goddelijk — een goppe van haar tweede pleegkind, — om toe te geven. Nee, nee. ... en dat praten van eigen of niét eigen, dat stak haar toch.... dat gaf ze niet toe.... Het was 't zelfde, of 't eigen of niet eigen was, zei ze: as je ze van zóó klein bij je hadt, dan werd 't toch zoo goed as eigen. . . . Maar ze had er geen spijt van, kóm, me moest toch blij zijn as me z'n kinderen dan nog met Gods hulp zoo goed onder de goppe kon brengen.
„Ja, godlof," zei Moeder opeens met een trotsje,