N de halfzonnige Aprilstraat, voor den nieuwen slagerswinkel, waar 't beschilderde gordijn voor was neergelaten, wachtten de trouwkoetsen op 't instappen der gasten. Aan de portieren stonden deftigdoende palfreniers, bijbesteld op 't laatste oogenblikje, toen Fietje's tante, eerst ongesteld, plotseling bericht had, nog met haar man te zullen komen. Stil, trotsig be-grinnikt door Meijer en Moos, die wachtten in den winkel met ceremoniemeesterscostuum, deftigden de vier koetsen in de straat tusschen de kijkende men-schen en kinderen in; de paarden met koppen wrik-schuddend omhoog en schrapende pooten de keien langs; koetsiers hoog de lucht in gezeten met hun lakkige hoeden en de geleverde feestelijkheid van witte bruidsknopjes in het knoopsgat, de geglacéde handen aan de recht oppriemende zweepen.
In den winkel wachtten onder verward spreken en zenuwachtig-voornaam bewegen, de mannen met hun zwarte pakken en hooge hoeden, tot binnen de vrouwen met kleeden klaar zouden zijn en men in kon stappen.
De naaister, gekomen om Fietje te helpen met de goppe-japon, was nog bezig met om haar nerveuze lichaam het zwartzijden bruidskleed te plooien en te trekken, haastig kleinigheden veranderend met spelden en draadjes, uit steeds keerende vrees voor honderd verwachte belachelijkheden, dolgemaakt door het geroep van Jette en Naatje, die telkens weer iets te veranderen hadden opgemerkt.