199
langzaam, in enkele maanden tijd, de winkels der kleine aohterbuurtslagertjes leeg gemaakt, en Joop tegenover hen was voor de tweede maal nu, met mach-teloos-gewcten overmoed begonnen lagere prijzen te noteeren. De nieuwe vennooten kochten en betaalden en tracteerden de boeren en als Joop goedkooper ging, sloegen ze weer een stuiver af. Zoo hadden ze langzaam ook zijn winkel leeg gemaakt. Op Zaterdagavond, voor sjabbes uit was al, wachtten voor hun gesloten winkel troepen arbeidersvrouwen, met boodschapmand j es om in te koopen.
Ja, Joop had ’t van den overkant wel gezien. . . . 'n nije vrouwe, 'n nije zake. ... nij geld: nou ging ie noa de Schans, ze hadden starke longen ekregen, daar zol-ie 't deze keer niet tegen volholden.
Nu de boeren hem geen crcdiet meer gaven, leende hij geld en kocht; en om menschen in den winkel te krijgen, sloeg hij af en af en wèer lager en nóg een stuiver, tot er geld verloren was, als de winkel zonder vleesch raakte. Dan moest op 't geleende de oom of enkele vriend blijven wachten, omdat er van gegeten was.
De mannen aan de overzij lolden en stieten elkaar aan om de kerkhof-leege zaak van den uitgeputten concurrent. Um de veertien dagen hing er 'n stukkien krenge an de hake woar zullie niet noa ümmekeken. . . Hij zol wel goochem wezen en zich gauw uut de voeten maken. „Misschien kan-ie nog wat veur zien vrouwe maken" — lolde Meijertje, maar Sam zei dat niemand doar wat opgaf, op zoo'n mager beessien.
Een middag was Sam thuis gekomen en .vertelde, dat Joop bij de boeren kwaad van hem gesproken had.
Nou zol Vader toch wel verstandig worren hè? En ies goed zien, met wie ze te doen hadden. Oardig had-ie ze belasterd, ja, niet an hèm, dat zol 'm zien zorrege wezen, maar an Vader en Moeder,.... de