157
denkend, hard zou vinlden, zei hij maarj daar hij iets te zeggen zocht, dat ze vooral niet vasten mocht: dat hoefde toch niet. Verslagen, moedeloos in de afwachting van lijfsmart en zonder zijn steun nog wel, zei ze dof, dat ze toch niet eten zou, ze had geen 'lust, in niks, in niks. Het leven schuurde met schrijnende pun-tingen dien vastenavond door haar huis.
,,’k Heib Tische Bëof," zei ze, „oigod ik heb Tische Bëof.” Met de schort veegde ze, in ’t bleekdonkere gezicht, haar betraande oogen af, waarnaar, als moeilijk door de zware leeddruiklking, bij schokken het zachte schreien klom. De angst, zoo groot als de kamer, als het huis, zoo groot als alles, neep haar heele lichaam toe tot beweegloosheid, en toch wist zij, dat de pijnen en het gevaar weer komen zouden, ogod, dat gevaar, dat ze zoo graag ontloopen wou. En dan, dan. . . . als ’t kind er was, als alles was doorleden. .. . zou weer nieuwe ellende neerzinken op hun gedachten, want de zorg zou groeien.
Met haar hand streek zij van haar voorhoofd over haar gezidht, knijpend; de donkere oogen zagen hem aan, hol-gloeiend, als hongerig van wee, of ze hem vragen wou. . . . begrijp je ’t dan niet. . . . begrijp je r niks van? En plots schokte achter de nijpende hand een snik, barstte een kortbeftig schreien uit, dadelijk weer gesmoord door de hardwrijvende blauwe schort-punt. Zacht gesnuif van de kinderen leidde haar vragen af; en ze hief plotseling stil, luisterend haar hoofd, als om iets tot de kleinen te zeggen.
Toen keerde hij zidh om, Jiaastig bedenkend, dat-ie niets anders doen kon dan heengaan; ze maakte zich wel bang, maar morgenochtend was-ie toch weer thuis, t Móst toch, wat zol-ie anders?
„Nou," zei-ie, zoekend: „doe mien nou ’n plezier en éét nou wat, Griet; ie zullen zien, det knapt oe op en drink wat warms.....zu’j ’t doen?"
Zij knikte van ja, zwijgend.