111
peld, bleven staan bij de canapé, naast de De Beers; en Moos durfde alleen nog even haastig 'knipoogen naar Naatje, die gevraaglblikt bad, hoe 't was afge-loopen. Maar Sam stiet hem haastig aan en snel zag hij weer vóór zich naar den sprekenden en gebarenden Rabbijn.
Uit de Torah-afdeeling van de week had Kan zijn tekst gekozen: „Zend u mannen uit, had God tot Mozes gezegd, dat zij bet land Kenaan bespieden, hetwelk ik de kinderen Israëls geven wil.” Vanuit de woestijn Paran had Mozes hen gezonden, hoofden van Israël alle, en hij had hun gezegd: gaat, en ziet het land, het volk, dat er in woont; of het stérk is of zwak, of het gering is of machtig in aantal. De Rebbe verhaalde voort, dadelijk in den pathosdreun, met wijd open mond galmend uit gezwollen keel, scherpte van uitdrukking zoekend in geschreeuw, taalsierlijkheid in opsomming van vaak verkeerde synoniemen. Vol zacht-zingend Joodsch leven op zijn dertiende, was bij een jong dweepertje geweest, nu door de zweep van een seminarium en zwakke, maar domme omgeving, gedresseerd tot de sprongen van een ijverig gewetensbeambte, waarin zich langzaam doodbijgde zijn zuiverder en soberder dichterlijkheid.
„Zij waren heengegaan," ging hij langzaam-rekkend voort, buigend van Beern, naar rechts en links de zichtbare zittenden, „en zij waren teruggekomen," zei-ie met een schok, als onder bet. openbare gebed.
„Gij weet bet allen, nietwaar? hoe ... zij . . . mède-braohten de gróote vruchten . . . hoe zij droègen . . . die heerlijke, die wonderlijk zware druiven. En gij weet het oók, dat zij verhaalden bij hun aankomst. . . .è-dat zij vertelden van wat zij daar geziè-ien hadden. .. . wat zij daar aanschouwd hadden in dat vreemde land; het is een land, vloeiende van melk en honing, niet waar. . . .! wezé pirjöh. ... en hiér is de vrucht. .. . hier is een staaltje van die rijke, van die weelderige