Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



Hij loopt, met ordelooze en toch saamvattende gevoelens tot die gedachten beladen, door die suizende stilte van den achtertuin. Met zijn schoen wipt hij een grooten kiezelsteen op, uit onbewuste herinnering en het aanvoelen der broeiing van kleine geheimzinnigheden. Tevreden verbazing, bijna schrik. Een zwart-grijze pissebed roeit onder den kiezelsteen uit naar voren, Eli heeft hem een nieuwe periode van zijn bestaan ingedreven. De jongen buigt zich voorover: het beweegt, het leeft. Met zijn veertien pooten heeft het al, in enkele tellen zijn wie weet hoe lang bewoonde verblijfplaats een paar mili-meters achter zich gelaten. Met de handen op de knieën steunend, staart Eli er naar; hurken brengt toch te dicht bij: het is ontstellend leelijk van tegengesteldheid aan het eigene, door zijn kleur, zijn bouw, zijn gang, zijn stof, die op de stof van een onreinheidje, een vervuild stukje eelt lijkt. Gespannen kijkt de veertienjarige mensch naar dat bewegend stukje mod-derachtigheid dat toch een wezen is, dat, door de afstand-grijpende pooten gedragen en voortgetrokken, zijn plaats onder den steen heeft opgegeven en nu, reizend naar een anderen woon, in deze eenzaamheid, in dezen na-zomerschen middag, onder het stille, rijpe, matte licht, met hem alleen op de aarde schijnt te zijn.

Maar waar zijn, in dien mensch, de krachten om dat andere wezen te begrijpen? Om het te kennen? Te weten hoe hij is, hoe hij zich voelt, hoe hij denkt? Haal alles in je bijeen, pers allen wil in je samen, om het nu te weten: het helpt niet. „Pissebed,” prevelt hij, „pissebed,” als om in dien naam het afstands-gevoel van dien ander onderzoekend te grijpen. Onverschillig is het niet tegenover hem, want het is bang. Het is dus waar dat het denkt, het andere, dit daar. Maar met welke inspanning ook het verder niet te kunnen benaderen, het andere, het niet een kort oogenblik te kunnen zijn. Dat is bijna een stil leed. En dat kan niet uitblijven, dat hij aan al het overige andere moet denken. De anderen, hoe zijn de anderen? Max van Raalte, Siegfried Bloch en Leo Bloch, en Jaapie Manheim, en Godard de Vries, en Josefie Vecht? Gerrit Jan van Wyhe en Paul van Marken, Matthias de Bas, hoe zijn al deze? hoe zijn al hun gedachten naar de ruimte toe en hoe als zij naar hem zien? Je wordt van maar enkelen uit hun woorden iets daarvan gewaar; het meeste moet je toch in jezelf vinden, uit hun oogen, hun stem, en vooral uit hun houding, den stand en de bewegingen van hun lichaam, die op je in werken en hen dan voor je toonen, als met een soort

79
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.