9i
Het N.R.K. heeft reeds maatregelen genomen, waardoor de Nederlanders in Engeland, Suriname, Curacjao, Madrid, Lissabon en Bern, een oproep in bovenbedoelde zin bereiken zal.
Uit: Bulletin No. 36, 14 September 1944.
Hulpverlening aan gedeporteerden.
Conform een recent besluit van de ministerraad werd door Z. E. de minister van Sociale Zaken de regeringscommissaris voor repatriëring belast met de opdracht om, naast de hem toegewezen taak, voorzieningen te treffen, teneinde te trachten, onze gedeporteerde Joodse landgenoten regelmatig levensmiddelenzendingen te doen toekomen en hen — waar mogelijk — tevens op andere wijze hulp te verlenen.
Opgemerkt wordt, dat de zendingen op individuele basis geschieden, d.w.z. dat de pakketten aan de geïnterneerden persoonlijk worden geadresseerd.
Vereist is derhalve, een zo groot mogelijk aantal namen van gedeporteerden te verzamelen. Te dien einde werden reeds de nodige stappen ondernomen. Nederlanders, resp. Nederlandse instanties in geallieerd en neutraal gebied worden door of vanwege de regeringscommissaris aangezocht om, voor zover bekend, verblijfplaatsen en namen van gedeporteerde landgenoten op te geven. Tevens wordt langs andere kanalen gepoogd, meerdere gegevens van zodanige aard te vermelden.
Bijlage 26.
z Mr. H. G. J. Maas Geesteranus.
(voormalig hoofd van de Nederlandse Inlichtingendienst te Lissabon).
(1) In de zomer van 1941 vervoegden zich op het Gezantschap te Lissabon twee officieren, waaronder kap. Doorman, die als krijgsgevangenen waren ontvlucht uit een kasteel in Oost-Duitsland en die mededeelden, da t zij daar — in tegenstelling met hun medegevangenen van andere nationaliteit — nimmer enige ondersteuning van eigen regering of Rode Kruis hadden ontvangen. Volgens Prof. Burckhardt en Mademoiselle Odier, van het Comité International de la Crbix-Rouge, met wie Mr. Maas Geesteranus deze aangelegenheid kort daarop besprak, was genoemd comité in staat en bereid om, in opdracht van de Nederlandse Regering, voor het zenden van voedselpakketten te zorgen. Mademoiselle Odier bleek zich persoonlijk te interesseren voor het kamp te Vught. Indien de Nederlandse Regering haar instemming te kennen gaf, zou uit Genève voor Kerstmis een eerste zending levensmiddelen aan het kamp kunnen worden gezonden. Op raad van Mademoiselle Odier schreef Mr. M. G. hierover aan M. de Watteville, ambtenaar van meergemeld comité, die in dezelfde geest antwoordde. Deze correspondentie (o.a. te vinden in de archieven B.I. en Lissabon) werd door Mr. M. G. een of tweemaal naar Londen4gestuurd en, toen geen reactie volgde en het reeds te laat geworden was voor een kerstzending, medegegeven aan Dr. Visser ’t Hooft, met verzoek deze, met het nodige commentaar, ter hand te stellen aan H. M. de Koningin.