i68
BIJLAGE D.
G. Wijsmuller—Meijer Amsterdam, 23 Maart 1941
Nassaukade 125.
Aan het Ned. Rode Kruis,
Prinsessegracht 27, Den Haag.
Mijne Heren,
Toen ik op 3.3.41 op doorreis naar Parijs mij bij het Duitse Rode Kruis in Brussel vervoegde, deelde men mij mede, dat ik in Parijs het Duitse Rode Kruis aldaar op moest zoeken om mijn papieren te krijgen. Hier hoorde ik, dat er iets aan de hand was, en men verzocht mij. naar Brussel terug te keren.
Daar wederom bij het Duitse Rode Kruis gekomen, vernam ik van de heer Keusen, Oberfeldführer, dat hem niets bekend was. Hij belde echter het Duitse Rode Kruis te Berlijn op en vernam toen, dat door Uw instelling een brief aan het Duitse Rode Kruis was geschreven, waarin verzocht werd, mij geen hulp meer te bieden.
Omdat deze brief van een bevriende organisatie kwam, vond het Duitse Rode Kruis te Brussel geen termen om deze terug te leggen en mij verder te helpen.
Het Duitse Rode Kruis gaf mij de raad, deze zaak met U te behandelen, daar van Duitse zijde tegen mij generlei bezwaren bestonden.
Vrijdag j.1. deelde Dr. Winckel mij mede, dat bij het Hoofdbestuur van een brief aan het Duitse Rode Kruis van bovenbedoelde inhoud niets bekend was.
Aangezien ik het werk, dat tot nog toe door mij verricht is in het belang van kinderen van diverse nationaliteit, onder deze omstandigheden niet zou kunnen voortzetten, is het in het belang van dit werk nood-zakelijk, dat ik in de mogelijkheid gesteld word, deze zaak in orde te brengen.
In verband hiermede verzoek ik U dringend, mij zo spoedig mogelijk een schriftelijke bevestiging te zenden van het mij door Dr. Winckel medegedeelde.
Hoogachtend, (w.g.) G. Wijsmuller—Meijer.
BIJLAGE E.
Hoofdbestuur van het ’s~Gravenhage, 26 Maart 1941
Nederlandse Rode Kruis Prinsessegracht 27.
No. 554/41.
In antwoord op Uw schrijven van 23 dezer heeft het Hoofdbestuur van het Nederlandse Rode Kruis de eer U mede te delen, dat van het