122
met recht tegen de betreffende heren uit Londen kan richten en wel: waarom werd de Legatie in Zweden niet eerder dan sinds 1944 (ik kan me niet precies herinneren, wanneer de brief van de heer Dentz kwam) de opdracht gegeven, te trachten pakketten naar concentratiekampen in Duitsland te zenden. Ik weet niet, of de heer van Rijcke-vorsel, die nu immers in den Haag is, hier een antwoord op kan geven, maar ik neem aan, dat met enige energieke pogingen van Nederlandse zijde, het helemaal niet onmogelijk geweest was reeds veel eerder een toewijzing te krijgen. Op het tijdstip, dat wij begonnen, konden wij van de Zweden slechts toewijzing krijgen voor 2000 pakketten aan DP’s. Dit aantal is na veel moeite onzerzijds, ik meen in Februari 1945, verhoogd tot 10.000. Ik kan me zo zonder materiaal met precies herinneren, hoe de verdeling was, maar ik meen, dat de Zweden deze verhoging gegeven hebben ten bate van de krijgsgevangenen.
Een aanklacht, die de heer Vorrink volgens mij ook met recht kan richten, is de volgende: waarom werd de Nederlandse Legatie zo bizonder slecht voorzien van namen en data van naar Duitsland gevoerde personen? Ik weet, dat het moeilijk was, nauwkeurige gegevens te krijgen, maar wat hebben we niet weken en weken zitten wachten op lijsten met namen en data, opdat wij onze pakketten konden adresseren. Het was n.1. slechts mogelijk pakketten aan concentratiekampen te zenden (dus Oranienburg, Dachau, Buchenwald etc.) indien de pakketten voorzien waren van namen en data. De gegevens, die wij hadden, hebben wij met ontzettend veel getob en moeite van andere instanties moeten krijgen (World Jewish Congress, Mosaiska Forsamlingen, American Joint Distribution Committee, wat de Joden- betrof en wat de niet-Joden betrof van losgelaten of bevrijde en naar Zweden gevluchte meest Noren, die zich namen van Hollanders konden herinneren). We hebben nooit meer dan enige honderden (als het er zoveel waren) namen gehad van zich in concentratiekampen bevindende Nederlanders, de rest van onze zielige 2000 pakjes hebben wij van gefingeerde namen (uit een oud Nederlands telefoonboek) moeten voorzien. Dat de Noren m de concentratiekampen veel beter werden geholpen is volgens mij te wijten aan het feit, dat zij veel en veel eerder met pakkettenverzendingen vanuit Zweden begonnen zijn, veel en veel betere gegevens over hun gevangenen hadden! en zeer begrijpelijk van de Zweden een grotere toedeling van pakketten kregen. Nogmaals: dat de Nederlandse Regering het niet eerder dan eind 1944 noodzakelijk achtte, dat vanuit Zweden pakketten naar Nederlanders in Duitse concentratiekampen gezonden werden, is meer dan krankzinnig. Dat wij toen niet beter van materiaal voorzien konden worden, zodat wij tenminste de 2000 pakketten per maand behoorlijk konden adresseren, is treurig en had als resultaat, dat het grootste gedeelte van deze 2000 pakketten naar Joodse kampen (hoofdzakelijk Bergen-Belsen en Theresienstadt) werd gezonden, waar wij, dank zij de al eerder in deze brief genoemde instanties, de meeste gegevens hadden. Geen wonder,, dat de heer Vorrink e.a. in de verschillende kampen weinig of niets van ons gemerkt hebben.
Wat nu de krijgsgevangenen betreft: in Februari 1945 werd door de Zweden ons pakketten-quotum dus verhoogd tot ik meen 10.000,