120
uitgaan van het feit, dat de officiële personen alhier meenden, dat praktisch alle werkzaamheden op sociaal of Rode Kruis-gebied door hen georganiseerd moesten worden. Hier reeds lang gevestigde Nederlanders, zoals ik zelf, hadden meer vrijheid van beweging. Zo is het te verklaren, dat actieve personen, zoals de heer Gans, de hegr Polak Daniëls en zelfs de heer Flugi, die eigenlijk geen vluchteling was, zeer licht in botsing kwamen met het Gezantschap en de officiële vertegenwoordiging van het Rode Kruis. Ik heb hier tegenover altijd volgehouden, dat volgens goede democratische principes deze onofficiële initiatieven, wanneer ze serieus bedoeld en georganiseerd waren, volledige steun moesten ontvangen. Wij hebben het op dit gebied echter nooit verder gebracht dan een enigszins onzeker compromis. Naar mijn overtuiging ligt de grondfout hier. Het Gezantschap samen met de officiële vertegenwoordiging van het Rode Kruis waren niet werkelijk in staat om alles te doen, wat gedaan moest worden en toch werd particulier initiatief, zelfs nadat het een zekere erkenning vanuit Londen gekregen had, dikwijls tegengewerkt. Om geheel fair te zijn, moet ik hier echter bijvoegen, dat verschillende der personen, die nuttige initiatieven namen, helaas niet altijd de tact hadden om deze strijd principieel te strijden en er veel te veel. een persoonlijke twist van maakten, wat de zaak natuurlijk nog veel moeilijker maakte.
Het zou mij zeer verwonderen, wanneer zou blijken, dat de klacht op waarheid berust, dat de gezant mensen weggestuurd zou hebben, alleen omdat zij Joden waren. Naar mijn mening was het niet zo, dat er van officiële zijde tegen Joden gediscrimineerd werd, maar wel zo, dat men te weinig de psychologische en morele situatie van de vluchtelingen besefte en dezen daarom te licht als lastposten kwalificeerde. Men kan niet zeggen, dat het Gezantschap en de officiële vertegenwoordiging van het Rode Kruis niet hard gewerkt hebben, men moet echter vragen of zij begrepen hebben, dat zij alle prestigeoverwegingen ter zijde hadden te schuiven en alle hulp hadden te aanvaarden, die hun spontaan geboden werd.
Over de specifieke vragen hoe precies de geprojecteerde pakkettenacties geheel of gedeeltelijk gestrand zijn, kan ik geen nieuwe inlichtingen geven. Naar mijn mening, gebaseerd op de vele persoonlijke contacten, die ik in die jaren met de betrokkenen mocht hebben, zal tenslotte toch de hoofdschuld blijken te bestaan in het gebrek tot bereidheid tot samenwerking, zoals die vooral in tijd van nood tot uiting had behoren te komen.
(w.g.) W. A. VISSER 'T HOOFT.
Bijlage 34. Th. H. de Meester
(voormalig Voorzitter van het London-Committee).
Brief aan de heer N. D. Woensdregt.
..................Londen, 27 Februari 1945.
Ofschoon Uw belangstelling in het lot onzer krijgsgevangenen mij bizonder sympathiek is, komt het mij toch voor, dat de verzending van voedselpakketten naar de kampen beter onder de controle blijft van ons comité. Voor dit werk, hetwelk voor onze verantwoordelijkheid is, zijn ons credieten door het Min. van Oorlog ter beschikking gesteld,