Men strijdt. Men twist. — „Ik zal bewijzen”, Schreeuwt Nathan trotsch, „da’ ’k goed gezegd. Begint het niet met Hawwel hetvel?
Zoo eindigt ’t ook. Dus ik heb recht.”
Het helpt niet. And’ren houden vol,
Dat men hier lezen moet hakkol.
Ach! twee partijen vormen zich,
Want niemand blijft hierin onzijdig.
Wel zegt de meester: „Hakkol is ’t...”
— „Natuurlijk, meester is partijdig ...”
De tweedracht dreigt — ’t is om te treuren —
De Khille gansch uiteen te scheuren.
De eene helft der kerkbestuurders Behoort tot d’ hakkol-lees-partij,
De and’re helft behoort bij hawwol,
Daar is de eerste parnes bij.
De twisten nemen — bittre schand! —
Van dag tot dag de overhand.
Reeds heeft d’ Hawwol-partij besloten Niet langer meer bij Khaal te blijven ...
Daar komt men op ’t subliem idee Om alles aan den Raaw te schrijven.
De hoogste macht beslisse wijs,
Of het een kaf is of een hijs.
In angst’ge spanning zijn partijen
Naar ’t antwoord van den Opp’rrabbijn.
De post brengt eind’lijk de beslissing:
„Mijn waarden, het moet Hakkol zijn”.
En Nathans vrienden zijn verslagen,
Omdat ze ’n kaf voor ’n hijs aanzagen.
134